Waarom zijn er zo weinig vrouwelijke ministers? Wat we weten uit internationaal onderzoek

Door Zahra Runderkamp & Liza Mügge

De kabinetsformatie is in volle gang. Welke mensen zullen straks hun opwachting maken op het bordes? En waarom is gender daarbij een belangrijke overweging? Dit is een aangepaste en ingekorte versie van het essay ‘De tweede sekse in politiek en openbaar bestuur: Verklaringen en oplossingen voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen’. De hele bundel is hier te vinden.

De eerste vrouwelijke minister in Nederland is nog helemaal niet zo lang geleden: 65 jaar. 60 van die 65 jaar zijn in kaart gebracht door Monique Leyenaar in haar boek ‘Hare Excellentie: 60 jaar vrouwelijke ministers in Nederland’ (2016). In dit boek zien we dat er nog een lange weg te gaan is. Tot 1982 gold het idee: ‘er moet nog een vrouw bij’, wanneer voor het eerst twee vrouwelijke ministers worden aangesteld. Sinds die tijd groeit het percentage vrouwelijke ministers, maar nog niet erg gestaag. Het huidige kabinet-Rutte III heeft een relatief groot aandeel vrouwen in een Nederlands kabinet, namelijk zes vrouwelijke ministers en vier staatssecretarissen (zie ook dit blog). Het is wachten op goed nieuws uit de formatie die in volle gang is. 

Wat weten we over vrouwelijke ministers wereldwijd, uit internationaal vergelijkend onderzoek? De Canadese onderzoeker Susan Franceschet en haar collega’s beschrijven hoe groot de symboliek van vrouwelijke ministers kán zijn, maar ook hoe ingewikkeld dat ligt. De auteurs zien kabinetsformaties als een onderhandeling, als een spel – met veel informele regels. Het is lastig om tot een evenwichtige groep te komen. De auteurs stellen dat er in feite een soort checklist bestaat waardoor sommigen wel en anderen niet tot minister worden benoemd. Vooral de partij en de functie, maar zeker ook gender zijn hierin (steeds vaker) bepalende factoren.

Dit sluit ook aan bij de Nederlandse bevindingen van Monique Leyenaar. Omdat kabinetten over het algemeen maar weinig leden hebben, wordt er vaak gezocht naar mensen die op meerdere punten diversiteit kunnen belichamen. Deze kandidaten worden op hun beurt echter niet altijd als vertegenwoordiger van deze groepen gezien, wat weer nieuwe problemen met zich meebrengt. Het is dus zaak hierin een balans te vinden en kabinetten zoveel mogelijk te diversifiëren, in gender, etniciteit enzovoort, zodat één persoon niet meerdere groepen tegelijk (symbolisch) hoeft te vertegenwoordigen.

Voor het Verenigd Koninkrijk luidt de bevinding van Claire Annesley en Francesca Gains dat het aannemelijk is dat de aanwezigheid van meer vrouwen op de plekken waar beslissingen worden genomen de waarschijnlijkheid van een vrouwvriendelijke beleidsagenda vergroot. Dit onderstreept het belang van gendergelijkheid in een kabinet. Deze wetenschappers stellen bovendien dat we onze normen en waarden wat betreft ‘goed ministerschap’ moeten bijstellen, omdat deze gekleurd zijn door de geschiedenis, waarin we lange tijd slechts mannelijke ministers kenden.

In Australië heeft de komst van de eerste vrouwelijke minister-president, Julia Gillard, in 2010 er ook voor gezorgd dat vrouwen beter op de hoogte waren van politieke vraagstukken, en hun politieke kennis in het algemeen verbeterde. Zo bezien zou de aanwezigheid van een vrouwelijke minister(president) ook (deels) de kloof in politieke kennis en engagement kunnen verhelpen.

Helaas is het wel zo dat hier en daar een vrouw aan de politieke top de situatie voor vrouwen in het algemeen niet per se verbetert. Op basis van hun onderzoek naar 206 kabinetten in 15 landen, veelal westerse democratieën, tussen 1980 en 2015 concluderen Diana O’Brien en haar co-auteurs dat de aanwezigheid van een vrouwelijke premier of een vrouwelijke partijleider in de coalitie niet betekent dat het aandeel vrouwen in het kabinet ook hoger ligt. Recent onderzoek naar Merkel’s Duitsland lijkt dit ook te bevestigen. Een bredere vrouwelijke elite, een ‘kritische massa’, daarentegen, helpt wel bij de benoeming van meer vrouwelijke ministers, blijkt uit een ander artikel van O’Brien, waarin ze 117 landen vergelijkt. Op die manier stromen meer geschikte vrouwen door vanuit andere posities. Maar opnieuw verschuift ook de vraagkant. De auteurs vonden dat meer vrouwen in het parlement, een vrouwelijke voorzitter van het parlement en het bestaan van een apart ministerie van vrouwenzaken allemaal positieve invloed hebben op de mate waarin vrouwen op gezaghebbende ministeries terechtkomen.

In het bijzonder is er in academisch onderzoek aandacht voor het meest ‘mannelijke’ aller ministeries: Defensie. Hoewel in Nederland deze post sinds 2012 door een vrouw wordt bekleed, staat het er in de rest van de wereld slechter voor. De kans dat een vrouw wordt benoemd op deze positie is klein, concluderen Tiffany Barnes en O’Brien in ‘The Core Executive: Gender, Power and Change’ die dit wereldwijd hebben vergeleken. Dat komt omdat er traditionele waarden ten grondslag liggen aan wie deze functie zou moeten vervullen. De auteurs laten verder zien dat hoe meer militaire conflicten er in een land spelen, hoe kleiner de kans wordt dat een vrouw op de post Defensie wordt aangesteld. En: hoe meer geld er wordt uitgegeven aan defensie, hoe kleiner de kans op een vrouwelijke minister.

Daarbovenop komt nog de rol van de media. Voor Spanje vonden Tània Verge en Raquel Pastor dat vrouwen die voor het eerst verkozen worden op een eerder door mannen bezette post, het in de media zwaar te verduren krijgen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door te wijzen op hun uiterlijk in plaats van hun competenties, maar ook door hun afwijken van de (mannelijke) norm te benadrukken.

Al met al is er dus werk aan de winkel voor meer gendergelijkheid in deze, en volgende, kabinetten. We kijken uit naar een meer divers kabinet!

Over de auteurs

Zahra Runderkamp is promovenda politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en vrijwilliger bij Stem op een vrouw. Liza Mügge is universitair hoofddocent aan de afdeling politicologie van de UvA.